Geschiedenis

In de 16e eeuw gingen Hattem en andere parochies in de naburige woongemeenschappen over naar ‘de nieuwe leer’ en de toestand van de Rooms-katholieken,

die trouw wilden blijven aan het geloof van de voorvaderen, werd steeds meer kritiek.

De streken waar het protestantisme overheerste, kregen voor de Rooms-katholieken het karakter van missiegebied.

Men ging dan ook spreken van de ‘Hollandse Missie’ een term die aangeeft dat de zielzorg er door rondtrekkende priesters, vaak in het geheim, uitgeoefend werd.

De zielzorg werd waargenomen door rondtrekkende monniken, die verkleed als boerenknecht op de zondagen dan hier dan daar in een boerenschuur in het

geheim voorgingen in de Eucharistie.

Ongeveer driehonderdvijftig jaar zou deze toestand voortduren, maar na verloop van tijd werd de vervolging minder en werd de zielzorg onder de

rooms-katholieken oogluikend toegestaan, wel vaak tegen betaling van steekpenningen.

De Rooms-katholieken, die in de tijd van de Franse Revolutie voornamelijk in en om Zalk woonden richtten zich in het eerste decennium van de negentiende

eeuw tot koning Lodewijk Napoleon met het verzoek om een geldelijke ondersteuning, waardoor zij zich een gebouw of lokaal konden verwerven,

waarin ze zouden kunnen samenkomen om hun godsdienstige verplichtingen te kunnen vervullen. In 1834 werd  door de Rooms-katholieken in Hattem een huis gekocht

en wel aan de Adelaarshoek no. 3. Ze betaalden er 1275 gulden voor.

Dit is een van de vier huizen, die D.Spoel uitvoerig beschrijft in zijn boek “Vier Huizen in Hattem” , dat in het jubileumjaar 1999 uitgegeven werd door de Stichting ‘Stadskern’ te Hattem. Willem Neppelenbroek en Frederik Hulsman kochten het pand aan.

Zo werd het 1848, het jaar van de nieuwe Grondwet, waarin de godsdienstvrijheid van alle Nederlandse staatsburgers werd vastgelegd.

Monseigneur J. Zwijsen, reeds bisschop van ‘s-Hertogenbosch werd de eerste aartsbisschop van Utrecht na de Reformatie.

Het notulenboek der rooms-katholieke parochie  ‘Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming’ te Oldebroek begint in 1857.

Op welke datum in het jaar 1857 de parochie precies werd op gericht valt uit de aantekeningen in het ‘Registrum Memoriale’ van de parochie niet op te maken,

maar het moet in het begin van dat jaar geweest zijn. De goedkeuring door de Aartsbisschop voor het bouwen van kerk en pastorie is gedateerd 12 januari 1858.

In dat jaar begon aannemer Trooster uit Zwolle met de werkzaamheden. De eerste steen der kerk werd gelegd op 26 Augustus 1858 gelegd door “den pastoor

president”  en van de pastorie door W. Neppelenbroek.”

In 1859 kwam de bouw klaar. De bouwkosten waren toen opgelopen tot f. 13.300,–.

Tot eerste pastoor der nieuwe parochie werd benoemd de Zeer Eerwaarde Heer Johannes Hulshof, op26 oktober 1822

geboren te Lichtenvoorde. Op 6 januari 1859 aanvaardde hij zijn functie, toen de bouw van de kerk zijn voltooiing naderde.

Op 8 februari van dat jaar werd de kerk door hem, met machtiging van de Aartsbisschop ingewijd.

Navraag bij oude parochianen,  leverde een  motief op waarom de kerk uiteindelijk in 1930 werd afgebroken en werd overgegaan tot de bouw van de huidige kerk.

Het totale bedrag waarop een nieuwe kerk en pastorie begroot werd, was f. 39.925,–.

De kerk van O. L. Vrouw ten Hemelopneming is een eenvoudig gebouw, dat erg goed past in de landelijke omgeving van wat de mensen nog steeds ‘Hattemerbroek’ zijn

blijven noemen. Het grondgebied maakt echter sinds 1 januari 1960 deel uit van de burgerlijke gemeente Hattem.

Enkele gegevens omtrent het huidige kerkgebouw.

De afmetingen van de kerk zijn in meters: lengte: 20 meter, breedte: 10 meter en hoogte 12,5 meter.

In de voorbouw zijn het portaal met aan weerzijden de doopkapel en de voormalige biechtstoel aangebracht, alsmede de opgang naar het oksaal en het oksaal zelf.

Buiten hangt aan die voorbouw onder een afdakje de kerkklok. Opvallend zijn de beelden van heiligen, die om de gemeenschap heen staan.

Daarvan zijn de belangrijkste de H. Willibrord, die het christendom naar de Lage Landen bracht en de H. Bonifatius, een van zijn opvolgers,

die in Dokkum door de Friezen    werd vermoord.